Blog Layout

Genderdiversiteit en onderwijs: weten we wel genoeg?

Imke De Graaf • 14 september 2022


‘Mevrouw, zullen we volgend jaar bij het voorstelrondje ook allemaal onze pronouns zeggen?’


Deze vraag kreeg een collega voor de vakantie. De afgelopen jaren is aandacht voor gender- en seksuele diversiteit op een overdonderende manier toegenomen in de school. De eerste twintig jaar dat ik werkte is er geen enkele leerling uit de kast gekomen als transgender. De afgelopen paar jaar zijn het er elk jaar meer. De eerste twintig jaar was het aantal openlijk niet-heteroseksuele leerlingen op één hand te tellen, en dan hield ik elk jaar vingers over. Een paar keer sprak ik als vertrouwenspersoon met een leerling die uit de kast wilde komen en daar hulp bij zocht. Een enkele keer was de ‘coming out’ een bewust gekozen moment voor de klas, wat ik dapper en fantastisch vond. Nu ‘out’ de ene na de andere leerling zich in de klassenapp van de brugklas en zijn er leerlingen die elk jaar de volgende stap in hun zelfonderzoek met hun klas willen delen tijdens de mentorles. Ik vraag me steeds vaker af wat een passende reactie is.


Ik hoop dat de school voor jongeren een veilige plek is waar ze leren dat ze mogen onderzoeken wie ze zijn en waar alle docenten hun best doen een positieve schoolcultuur te creëren waarin ruimte is voor diversiteit. Het schrijnende en indrukwekkende verhaal van Raven van Dorst een paar weken geleden bij Zomergasten en de treurige 28e plaats die Nederland inneemt op de ranglijst die gelijkheid tussen mannen en vrouwen meet (Global Gender Gap Report 2022) maken duidelijk dat er nog werk aan de winkel is. Praten over gendergelijkheid en gender- en seksuele diversiteit is belangrijk. De aanbevelingen van Stichting School en Veiligheid volg ik waar ik kan: in mijn lessen Engels komt het onderwerp bij het oefenen van de vaardigheden voorbij, in de werkgroep burgerschapsvorming zet ik het op de agenda en met mijn collega-vertrouwenspersonen laten we ons bijscholen om daarna leerlingen en collega’s te kunnen informeren en ondersteunen. Ik ben blij dat leerlingen in deze tijd steeds vaker voelen dat ze open kunnen zijn over hun seksuele geaardheid of genderidentiteit. Maar ik kan deze ontwikkeling niet alleen toejuichen. Wat ik zie baart me ook zorgen.


De puberteit is de periode voor identiteitsontwikkeling. Experimenteren is hierbij essentieel en de peergroup speelt een grote rol. Maar het gaat om een persoonlijk proces, dat tijd kost. Het is zoeken: bij wie voel ik me thuis en wat zegt dat over mij? Bij sommige kinderen die nog helemaal aan het begin staan van deze fase lijkt hier iets te veranderen: het proces is niet langer persoonlijk, maar wordt juist duidelijk uitgedragen (ook online) en ze nemen er minder tijd voor. De groep leerlingen die vooral heel openlijk bezig zijn met genderdiversiteit valt voor een deel samen met de groep jongeren die elke docent in het voortgezet onderwijs kent: de jongeren die moeilijk aansluiting vinden en apart staan in de pauze. Meerdere leerlingen in de groep hebben een autismespectrumstoornis (ASS) en als vertrouwenspersoon weet ik dat een deel van de groep het sociaal-emotioneel zwaar heeft.


Omdat ik wilde snappen wat er aan de hand is ben ik me gaan verdiepen in het concept gender en genderdysforie (onvrede met het geslacht waarmee je geboren bent) en hoe het zich ontwikkelt in de huidige sociaal-culturele context. En ik schrok. Met name van het gebrek aan nuance. Ik leerde twee kampen kennen, die lijnrecht tegenover elkaar staan en nauwelijks bereid lijken naar elkaar te luisteren. Ze ruziën over definities waardoor een goed gesprek al bij de start kansloos is. Resultaten uit onderzoek van het andere kamp worden belachelijk gemaakt, uit hun verband gerukt of simpelweg niet geloofd. Ik schrok ook omdat ik soms ‘ja!’ riep bij iets wat ik las, om dan te ontdekken dat ik in het kamp zat waar ik nog nooit in mijn leven in gezeten had.


In mijn ideale wereld voelt iedereen de vrijheid te zijn wie hij is en houdt iedereen van zijn lijf. Het openbreken van genderrollen kan ik alleen maar zien als iets heel goeds. Maar dat steeds meer jonge mensen, kinderen nog, een geslachtsverandering willen ondergaan lijkt me het tegenovergestelde. De verwarring over genderidentiteit en het zoeken naar genderexpressie verbindt deze ontwikkelingen. Zonder iets af te doen aan het belang van LHBT+-emancipatie wil ik het hier hebben over de mogelijke zorgelijke kanten van de huidige veranderingen en wat ik daarover te weten ben gekomen.

              Ik weet inmiddels dat ongeveer 1 tot 2 % van de mensen een autismespectrumstoornis (ASS) heeft[1], maar dat in de transgendergemeenschap ongeveer 10 % ASS heeft[2]. Er wordt veel onderzoek gedaan naar de samenhang tussen autisme en genderdysforie. Het zou kunnen dat jongeren met ASS minder gevoelig zijn voor de gendernormen die de maatschappij doorgeeft, of dat een transitie een autistische fixatie is, iets dat het gevoel ‘anders’ te zijn kan wegnemen[3].

             Ook weet ik dat er ongeveer 3x zoveel mannen (als man geborenen) transgender zijn als vrouwen (als vrouw geborenen). Toch is de verhouding bij de aanmeldingen bij genderklinieken andersom voor adolescenten. De laatste jaren zien we een enorme toename van het aantal jonge meisjes (als meisje geborenen) dat zich bij genderklinieken meldt. Het gaat dan vaak om biologische meisjes die voor hun puberteit niet hebben laten merken onvrede te ervaren met hun geslacht. De oorzaak van deze verandering wordt nog onderzocht. Er zijn deskundigen die een verband vermoeden met sociale media en sociale besmetting[4].

            Ten slotte heb ik gelezen over aangeboden behandelingen en over wat een medisch transitietraject inhoudt. En daar schrok ik weer. Nederland is pionier op het gebied van de inzet van puberteitsremmers bij jongeren met genderdysforie. De medicatie is bedoeld om tijd te winnen, waarin een jongere kan nadenken over gewenste vervolgstappen, zonder dat zijn of haar lichaam onder invloed van hormonen verandert. Na de bedenktijd kan dan begonnen worden met hormonen die het lichaam aanpassen aan het gender. Onderzoek wijst uit dat starten met puberteitsremmers voor de meesten betekent dat ook het vervolgtraject wordt doorlopen, terwijl er ook aanwijzingen zijn dat met het doormaken van de puberteit de genderdysforie bij veel jongeren verdwijnt (bijvoorbeeld omdat ze verliefd worden op iemand die hen accepteert zoals ze zijn)[5]. Puberteitsremmers hebben mogelijk schadelijke gevolgen voor je groei, botopbouw, vruchtbaarheid en seksualiteitsbeleving[6]. Van tieners die een medisch traject overwegen is ‘informed consent’ nodig; toestemming voor de behandeling na een weloverwogen keuze. Maar hoe weegt een 12-jarige het lijden nu af tegen onvruchtbaarheid later?[7] Wereldwijd wordt ‘The Dutch protocol’ in genderklinieken gevolgd, maar kritiek blijft er ook. Er zijn onvoldoende data over de langetermijngevolgen van gebruik van puberteitsremmers, en het ontbreken van deze data leidt ertoe dat het behandelingsprotocol niet voldoende (bewezen) effectief is.[8]

             Veel adolescenten met genderdysforie hebben daarnaast psychische problemen, zodat niet altijd duidelijk is of de genderdysforie daar oorzaak of gevolg van is of er volkomen los van staat[9].  Zo kunnen worstelen met de seksuele identiteit en traumatische ervaringen als seksueel misbruik van invloed zijn op de lichaamsbeleving. 

              Als laatste, veel deskundigen zijn van mening dat sociale transitie, dus zoveel mogelijk leven als een persoon van je ervaren gender (met een andere naam, kledingstijl, etc.) een veilige manier is om uit te proberen of het bij je past. Anderen trekken dit in twijfel. Waar bij twijfels over je seksuele identiteit naar hartenlust experimenteren probleemloos kan, ligt dat misschien anders bij twijfels over je gender omdat sociale transitie van invloed zou kunnen zijn op de genderontwikkeling.[10] We weten het niet.


Wat bovenstaande laat zien is dat er nog veel onderzoek nodig is naar oorzaken en ontwikkeling van genderdysforie en wat de beste behandeling is. Hoe zorgvuldig de specialisten van het genderteam ook omgaan met de aanmeldingen, het onderzoek kan de exponentiele groei van jongeren die zich bij genderklinieken melden voor hulp niet bijbenen. En terwijl deskundigen soms lijnrecht tegenover elkaar staan, staan jonge mensen en hun ouders voor een onmogelijke keus. Wel of niet starten met een medisch traject? Daarvoor kiezen ondanks de twijfels over de langetermijngevolgen zegt veel over het lijden van deze jongeren en hun ouders. En al biedt de behandeling veel transgenderjongeren aantoonbaar verlichting, ik moet er niet aan denken in hun schoenen te staan.


Er komen zoveel vragen bij me op:

  • Voelen al die meisjes (als meisje geborenen) die nu aangeven zich te identificeren als jongen of non-binair nu eindelijk de ruimte om dat te doen, omdat er meer aandacht voor is en de maatschappij het meer lijkt te accepteren? Of zijn sommige van hen zo in de war, als puber met identiteitsvragen in een hectische, schreeuwerige wereld vol Perfecte Plaatjes op Instagram, dat ze alleen maar denken ‘ik hoor hier niet’, ‘ik kan dit niet’? Waardoor ze een uitweg zien in een nieuw label, dat meteen toegang geeft tot (op zijn minst online) een heel hechte groep? Het zou kunnen dat het autistische jongeren extra kwetsbaar maakt en in de richting van een ingrijpend traject duwt dat mogelijk niet brengt wat ze ervan hopen.
  • Kan het zo zijn dat sommige meisjes (als meisje geborenen), mogelijk na traumatische ervaringen met mannen, de ervaren genderrol van de vrouw, zwak en geobjectiveerd zo gauw het lichaam verandert, niet aandurven? Zodat ze mogelijk onbewust die rol verwerpen? En helpen wij als maatschappij dat proces door mee te gaan in steeds maar méér etiketten, in plaats van het verruimen van de bestaande hokjes? Zodat ze kunnen leren dat vrouwen ook sterk zijn en meer zijn dan een lustobject.
  • Kan het zijn dat het toenemende aantal labels een symptoom is van een tijd waarin we geen twijfel of onzekerheid meer kunnen verdragen, en alles, onszelf voorop, willen kennen om te kunnen presenteren aan de buitenwereld? Als product bijna? En moeten we ons dan juist niet verzetten tegen al die labels en onze leerlingen leren dat je ook vragen kunt hebben zonder dat meteen een antwoord volgt? Ze leren omgaan met twijfel? Ze leren dat ze goed zijn zoals ze zijn, zonder het best passende hokje te zoeken? Of is emancipatie van mensen die afwijken van de norm zonder nieuwe labels niet mogelijk?
  • Kan het zo zijn dat alle verworvenheden waarvoor we gestreden hebben (van vrouwen mogen broeken dragen tot meisjes die exact kiezen) nu voor een deel tenietgedaan worden, omdat sommige meisjes die geen meisje-meisje zijn misschien gaan denken dat ze daarmee geen meisje zijn? Versterken we genderstereotypering niet juist door nieuwe namen te gebruiken voor wie de standaard genderrol niet past?


Dit zijn geen retorische vragen, maar echte vragen die ik heb waar ik geen antwoord op vind in de aanbevelingen van Gendi.nl (de website voor gender- en seksuele diversiteit in het onderwijs). De hoofdvraag is: kan aandacht voor genderdiversiteit ook bijdragen aan verwarring over de genderidentiteit en daarmee indirect zelfs een rol spelen in het ontwikkelen van genderdysforie van een bepaald type kwetsbare jongeren in de puberteit? Kan het zijn dat wat helpend is voor LHBT+-jongeren, voor een andere groep averechts werkt? Als dat misschien zou kunnen, hoe reageer ik dan als ik in mijn eerste lessen een zelfde vraag krijg als mijn collega?


Ik hoop met deze vragen niemand te kwetsen. Heb ik dat toch gedaan, dan spijt me dat. Mijn wens is een gesprek op gang te brengen, om met elkaar te leren. Hoe gaan we op school om met de vragen die deze nieuwe ontwikkelingen oproepen? Ik hoop op reacties of nog meer vragen van onderwijsprofessionals, (ervarings)deskundigen en ouders. Met als doel verder te werken aan een veilig en gezond schoolklimaat voor alle kinderen.






[1] https://www.autisme.nl/over-autisme/onderzoek-naar-autisme/prevalentiecijfers-over-autisme

[2] (2010) Autism Spectrum Disorders in Gender Dysphoric Children and Adolescents

[3] https://www.vkjp.nl/tijdschrift-artikelen/comorbide-genderdysforie-en-autisme-hypotheses-over-de-etiologie-en-een-exploratie-van-de-behandelmogelijkheden

[4] Littman L (2018) Rapid-onset gender dysphoria in adolescents and young adults: A study of parental reports

[5] Cohen en Barnes (2019) Gender dysphoria in children: puberty blockers study draws further criticism

[6] https://rethinkime.org/bell-v-tavistock-pdf/ par. 62 en 63 en https://feministlegal.org/top-trans-doctors-blow-the-whistle-on-sloppy-care-by-abigail-shrier-common-sense-with-bari-weiss/

[7] Latham (2022) Puberty Blockers for Children: Can They Consent?

[8] https://www.universiteitleiden.nl/binaries/content/assets/rechtsgeleerdheid/instituut-voor-privaatrecht/jeugdrecht/masterscriptie-isabelle-kornelis---een-goede-rechtsbescherming-voor-een-kind-geboren-in-het-verkeerde-lichaam.pdf

[9] Lees het aangrijpende verhaal van Keira Bell, een birologisch meisje dat in transitie ging, later spijt kreeg en haar kliniek aanklaagde. https://www.persuasion.community/p/keira-bell-my-story?triedSigningIn=true

[10] https://www.resistgendereducation.nz/information/social-transitioning-is-not-a-good-idea / (2017) Mental Health and Self-Worth in Socially Transitioned Transgender Youth

 



Dit delen:

door Imke De Graaf 23 september 2024
Op een familieweekend zag ik mijn dochters (20 en 22) ineens een heel andere versie van ‘Wie is het?’ spelen. Ze stelden elkaar vragen die niets met uiterlijk te maken hadden zoals ‘Eet deze persoon vaak een emmer kip van KFC?’ of ‘Heeft de jouwe een huis vol planten?’. Het gemak waarmee ze na elke ‘ja’ of ‘nee’ personen begonnen weg te klappen was hilarisch en tot mijn verbazing lukte het een paar keer de juiste persoon te kiezen. Zo niet, dan zaten ze er heel dichtbij en volgden uitroepen als ‘Natuurlijk zit zij niet bij een leesclub! Kijk dat haar!’ We stoppen mensen in hokjes, dichten ze eigenschappen, hobby’s, voorkeuren of overtuigingen toe op basis van hun uiterlijk. Dat is evolutionair zo bepaald. Het is heel nuttig, dat we dit kunnen. Zo zien we snel wie ‘onze mensen’ zijn en wie niet. Een juiste inschatting of iemand tot de veilige groep behoorde was in de prehistorie van levensbelang. Snel kunnen oordelen hielp ons overleven. Nu de groep, zeker na de komst van het internet, onoverzichtelijk groot geworden is, helpt het indelen van mensen ons de complexiteit van de wereld te beheersen. Het geeft een gevoel van orde en het vergemakkelijkt samenwerking en het opbouwen van relaties binnen onze eigen groep. We stoppen mensen in hokjes en dat geeft niks, zolang we ons ervan bewust zijn dat we dat doen. Dan kunnen we geregeld stilstaan bij onze aannames om meer te leren over de bril waarmee we kijken, om hem vervolgens af te zetten. Actief streven naar nuance, met nieuwsgierigheid als grondhouding. Het baart mij grote zorgen dat het identiteitsdenken in deze tijden van polarisatie onder jongeren aan kracht lijkt te winnen. De focus op gedeelde ervaringen of kenmerken binnen een groep, zoals ras, gender, religie of seksualiteit, kan belangrijk zijn voor een gemeenschappelijke strijd en er is veel om voor te strijden. Er is systemisch onrecht, elke dag sterven onschuldige mensen, het lijden is groot. Ik hou van betrokken jonge mensen die zich zorgen maken over het lijden van anderen en de toekomst van onze planeet en die willen vechten voor een betere wereld. Maar de manier waarop, met deze focus op één kenmerkend aspect, leidt er toe dat mensen gereduceerd worden tot die ene identiteit. Palestijn, Jood, boer, klimaatactivist, et cetera. De ‘wij’ of de ‘zij’. Verschillen worden uitvergroot en stereotyperingen en vooroordelen versterkt. Precies wat we niet nodig hebben. Op school ervaar ik dat, alle goede bedoelingen ten spijt, het prioriteren van diversiteit en inclusiviteit op de manier waarop dat de laatste jaren gebeurt niet bijdraagt aan meer begrip voor elkaar. De strijd voor maatschappelijke verandering en emancipatie van minderheden wordt te vaak ideologisch gevoerd. Ik zie leerlingen die bang zijn hun mening te geven, omdat het een 'verboden' mening kan zijn. Laatst twijfelde een leerling midden in zijn zin, toen hij het had over een 'bl...b...coloured man'. Bij een les over gendergelijkheid was de irritatie in de groep voelbaar. Niemand bleek aan gelijke kansen en keuzes voor man en vrouw te denken. Gender stond alleen voor genderidentiteit. Ik heb collega's die klachten krijgen over grapjes, via ouders en directie. Leerlingen groeien niet op in een vacuüm. En onze kinderen groeien nu op in een klimaat dat niet bevorderlijk is voor kritisch denken, voor een open houding en een uitgesteld oordeel. Walt Whitman zei het al in zijn Song of Myself in 1855, ver voor het spel 'Wie is het?' bestond: ‘I am not contained between my hat and my boots’ since ‘[in] all people I see myself’. We kunnen allemaal iets van onszelf in de ander, elke ander, herkennen. We hebben meer gemeen dan we van elkaar verschillen. En niemand van ons is te reduceren tot één aspect van zijn wezen. Als je mij vrouw noemt, of wit, of Nederlands, of docent, weet je niet wie ik ben. Al deze kenmerken zijn belangrijk voor wie ik geworden ben en hebben elke dag invloed op de bril waarmee ik mezelf en de wereld zie, maar ze vertellen niet mijn hele verhaal. Ik hou van quinoasalade en carnaval, van filosofie en B&B Vol Liefde, van achtbanen en de hei. De bekendste regel uit het gedicht van Whitman luidt ‘Do I contradict myself? Very well then I contradict myself, (I am large, I contain multitudes)’. Dat geldt voor iedereen en dat is prachtig. Het maakt nieuwsgierig. Hoop ik.
door Imke De Graaf 17 maart 2024
Ik heb het afgelopen jaar minstens vijf jongeren onder de 21 gesproken die met afgrijzen hun verjaardag dichterbij zagen komen. Twee daarvan waren mijn eigen kinderen. Niet vanwege twijfels over het soort feestje, de gastenlijst, playlist of outfit, maar vanwege de te snel naderende Toekomst. ‘Straks ben ik 18! 18! En ik weet nog niet eens wat ik wil gaan doen!’ ‘Ik word 20! Ik krijg het er gewoon benauwd van, ik wil het echt niet!’ De toekomst hangt samen met Grote Keuzes (studie, baan, partner, woonplaats) en Moeilijke Dingen (studieschuld, woningnood, technologische innovaties die de arbeidsmarkt sneller veranderen dan we kunnen bijbenen). Het maakt niet uit hoe vaak mijn collega’s en ik zeggen dat de meeste loopbanen geen rechte lijnen zijn en dat een studiekeuze EEN keuze is, niet DE keuze die de rest van je leven bepaalt. De behoefte aan houvast is zo groot dat leerlingen nog net niet smeken om een briefje met daarop hun naam en de studie, onderwijsinstelling en stad die het moeten worden. Eerder deze week sprak ik een mentorleerling die een meeloopdag had gedaan en niet genoeg had gevoeld. Hij had gehoopt op een golf van enthousiasme die zekerheid bracht. De golf was er niet geweest en nu twijfelde hij weer. ‘En ik heb ook nog geen Plan B!’ riep hij, paniek in zijn stem. De studietijd is allang geen periode meer waarin je op eigen benen leert staan, waar je weg van de veiligheid van thuis leert wie je bent en wat je kunt en langzaam een pad ziet opdoemen in de mist. Niet in de ogen van veel jongeren tenminste. Enerzijds wonen ze, vaak noodgedwongen, te lang onder papa en mama’s vleugels, anderzijds worden ze al in hun examenjaar aangemoedigd te netwerken via social media, hun competenties toe te voegen aan hun cv en onderscheidend vrijwilligerswerk te overwegen. Je traint de F-jes niet omdat je elke dag zin hebt in voetballen, maar om je maatschappelijke betrokkenheid en coachingsvaardigheden op LinkedIn te kunnen zetten. Je baan bij de supermarkt betaalt je biertjes, maar zegt ook iets over je klantvriendelijkheid of leiderschapskwaliteiten. Hopelijk is het allebei. Heb je er lol in en leer je er iets van. Wat mij stoort is de meritocratische manier van kijken die onze jongeren van ons leren: alsof de som van je vaardigheden, inzet en prestaties bepaalt of je ‘goed bezig’ bent, of zelfs hoe goed je bent. Het economische narratief dat onze blik bepaalt definieert ervaringen. Het ene schoolvak is belangrijker dan het andere, ‘want je kunt er later meer mee’. En dat geldt ook voor bijbaantjes, hobby’s en verenigingen waaraan je je tijd besteedt. Het idee dat je allerlei ervaringen opdoet om zoveel mogelijk te leren over jezelf en wat bij je past, en dat je schooltijd en studietijd daar de ideale periode voor zijn, is voor veel jongeren verworden tot iets anders. Niet het uitproberen en het zoeken is hun opdracht, maar het verzamelen van een lijst vaardigheden en prestaties. Harder, better, faster, stronger. Een onderzoeksrapportage met die titel beschreef vorig jaar de risicofactoren van prestatiedruk en stress onder jongeren. In het rapport wordt beschreven hoeveel jongeren zich overbelast voelen door de hoge eisen die ze aan zichzelf stellen of die de maatschappij in hun beleving aan hen stelt. Ze zijn constant in competitie met anderen en met zichzelf; na elke genomen horde wacht een volgende. In de levensfase die draait om identiteitsontwikkeling is onzekerheid over je route normaal is, maar de prestatiegerichtheid van de maatschappij lijkt geen ruime te bieden voor een route met omwegen, en dus neemt de stress toe. We kunnen de wereld niet langzamer laten draaien. In de coronatijd ervoeren veel mensen hoe heilzaam een trager tempo was, maar inmiddels zijn we weer terug op het pre-pandemieniveau, als de filedrukte een graadmeter is. We kunnen wel genoeg andere dingen doen die goed zijn voor onszelf en onze kinderen. Door anders te kijken, en andere woorden te gebruiken voor wat we zien gebeuren, veranderen we de betekenis van ervaringen. In plaats van te denken in passief of actief, waarbij in onze maatschappij de actiestand altijd wint, kunnen we denken in aandachtig zijn of opbrengstgericht zijn. Bewust worden of onbewust handelen. Voor onszelf helpt het als we ‘niks doen’ reframen als reflectie, want zonder reflectie geen ontwikkeling. Zo zitten we anders op de bank, naar buiten te kijken, lopen we anders een blokje om. Voor onze kinderen en leerlingen helpt het als we ons eigen pedagogisch handelen aanpassen aan die andere manier van kijken, waarbij de tijd om te zoeken als zinvol wordt beschouwd. De tegenstelling wachten of ingrijpen wordt dan vertrouwen of beheersen. Natuurlijk zijn er momenten waarop je moet ingrijpen; opvoeden is ook sturen en begrenzen. Soms is opvoeden niks doen en dan is de houding waarmee je dat doet essentieel. Ongeduldig wachten ‘tot ze eens aan de gang gaan’ of erop vertrouwen dat er een zinvol innerlijk proces gaande is. Ik geloof dat het alle verschil maakt voor jonge mensen als hun opvoeders uitstralen dat zoek-tijd, twijfel-tijd, niks-tijd, gewoon tijd, soms precies is wat je nodig hebt om een volgende stap te kunnen zetten. Niet elke vorm van groei is zichtbaar of meetbaar. Een goeie tuinman trekt niet aan de planten maar geeft water en mest en wacht geduldig. We zijn de balans kwijt. Er is alleen de actiestand. Zelfs het niksen wordt actief ingevuld; al is het maar scrollend. Stoppen met doen is hartstikke moeilijk. Het leidt meteen tot onrust, ‘want het levert niks op.’ Onze kinderen leren niet zomaar de onrust te omarmen en de onzekerheid te verdragen. Ze leren het van ons, van wat wij doen en hoe wij op ze reageren. Nu de positieve afsluiter: je kunt er heel makkelijk mee oefenen, want je hebt er niets voor nodig, anders dan het besef dat je anders wil gaan kijken naar niksen. Voor jezelf, je kinderen of je leerlingen. En dan ga je gewoon het bos in: ogen en oren open, lopen maar. Staat je school niet in het bos, en wil je hier toch mee aan de slag? Dan heb ik ook werkvormen voor je om in de klas te gebruiken, om te starten met stilstaan en te praten over hoe dat is. De werkvormen zijn gebaseerd op Acceptance and Commitment Training (ACT). Kijk op www.act2go.nl De woordparen die ik hier gebruikt hebt, hoorde ik in de podcast Onderwijs leiden met hart en ziel #28, waarin pedagoog Joop Berding wordt geïnterviewd n.a.v zijn boek Opvoeding en onderwijs tussen geduld en ongeduld . Ik kan de podcast van harte aanbevelen.
MEER BLOGS »
Share by: