door Imke De Graaf
•
10 april 2023
Een half jaar geleden heb ik voor het eerst online mijn zorg geuit over het ontbreken van een gesprek onder onderwijsprofessionals over de ontwikkelingen rondom genderdiversiteit en een passend antwoord daarop van scholen. De informatie die voorhanden is, leek tot voor kort eenzijdig en beperkt. Inmiddels wordt meer ruimte geboden voor kritische vragen bij de ontwikkelingen, zoals een paar weken geleden in de Volkskrant . Wat mij betreft terecht; met name waar het gaat om de medicalisering van genderdiverse jongeren sta ik met mijn voet op de rem. In mijn ogen zijn er nog te veel vragen om nu al stellige antwoorden te geven over wat goed is voor jongeren met gendertwijfels. Een aantal van die vragen wil ik hier stellen, vanuit mijn rol als docent. Ik heb de antwoorden niet, maar hoop een gesprek op gang te brengen. We moeten het met elkaar hebben over een mogelijke reactie op ontwikkelingen rondom gender en ik geloof dat onderwijsprofessionals, dag in dag uit tussen de tieners, onmisbaar zijn in het debat hierover. Wij zien in de klas de langzaam verschuivende normen en de plotselinge trends. Ons werk bestaat elke dag uit het begeleiden van jongeren naar meer autonomie, uit het zoeken naar de balans tussen vrijheid en verantwoordelijkheid, uit ruimte maken voor het individu zonder het groepsproces uit het oog te verliezen. Onder onze ogen vindt de identiteitsontwikkeling plaats. Gendertwijfel als symptoom De afgelopen jaren is het aantal jongeren met genderdysfore gevoelens sterk toegenomen, zonder dat duidelijk is waarom. Ook verschilt de groep tieners die zich de laatste 15 jaar bij genderklinieken meldt van de jongeren die ze daar gewend waren te zien. Het gaat nu vooral om geboren meisjes die voor de puberteit niet aangegeven hebben onvrede te ervaren met hun geboortegeslacht en die relatief vaak met psychische problemen kampen. Hoe komt dat? Is dit een emancipatiegolf van transgender jongeren of speelt er (ook) iets anders? Welke sociaal-culturele ontwikkelingen kunnen helpen deze trend te duiden? Voor jongeren bij een genderkliniek om hulp vragen zitten ze op school. Daar, in of juist buiten de groep, borrelen de gendervragen op. Hebben we de laatste decennia dingen zien veranderen in het onderwijs die de toename van jongeren die in transitie willen mede kunnen verklaren? Wat is er anders aan het leven van tieners nu dan aan de schooltijd van hun ouders? De verschillen zijn enorm. Eindeloos veel meer keuzemogelijkheden, sociale media die je non-stop vragen zichtbaar en succesvol te zijn en continu de nadruk leggen op het uiterlijk en een niet-aflatende informatiestroom die ontspannen moeilijker maakt. Jongeren werken meer en voelen druk om naast school en bijbaan een rijk sociaal leven te leiden [i] . Uit onderzoek blijkt dat ze door dit alles een toegenomen prestatiedruk ervaren [ii] . Daar komt bij dat we met z’n allen een hogere geluksnorm zijn gaan hanteren [iii] : goed in je vel zitten en genieten is de norm geworden. De puberteit is een periode die gepaard gaat met zoeken, worstelen en heftige emoties. Het kost ouders, onderwijsprofessionals en jongeren zelf meer moeite om deze zoektocht de tijd te geven. Er wordt sneller hulp geboden en gezocht, wat van invloed is op de weerbaarheid en autonomieontwikkeling van jongeren. Het vertrouwen in het eigen vermogen om met twijfel, tegenslag en lastige emoties om te gaan lijkt af te nemen. Vooral biologische meisjes vallen in onderzoeken op vanwege verminderde levenstevredenheid en ervaren prestatiedruk [iv] . Zou het kunnen dat de overgangsfase van een aseksueel kind naar een seksueel wezen de spanning doet toenemen? Zou het kunnen dat deze veeleisende maatschappij voor sommige meisjes zo onleefbaar lijkt, dat ze niet op durven groeien? En dat ze de angst voor de volwassenheid en het bijbehorende lichaam verwarren met twijfels over hun gender? Zou het kunnen dat ze geloven dat een volwassen vrouw een bepaald lichaam, bepaalde verlangens, bepaalde gevoelens, interesses en vaardigheden moet hebben die ze niet in zichzelf herkennen? Voelen ze zich een jongen, of non-binair, of zou het kunnen dat een deel van hen vooral voelt dat ze niet die vrouw kunnen of willen worden? De prestatiedruk en de hoge geluksnorm gaan hand in hand met de maakbaarheidsgedachte: als je iets heel graag wil en je werkt er hard voor, dan kun je het krijgen. In het onderwijs is dat zichtbaar in het sterk gestegen aanbod van bijlessen. Met de juiste ondersteuning kan iedereen naar het hoogst haalbare streven, waarmee dan vaak een theoretische opleiding bedoeld wordt. Tegelijkertijd helpen steeds meer diagnoses te verklaren waarom iemand ondanks hard werken de norm niet haalt. Ook hier zie je een stijgend onvermogen om te verdragen dat het leven soms moeilijk is en dat niet voor elk probleem een oplossing voorhanden is. Zou het maakbaarheidsdenken een rol kunnen spelen bij de meisjes in psychische nood die om een geslachtsverandering vragen? Het brengt een veelheid van gecompliceerde gevoelens zonder duidelijke oorzaak of oplossing terug tot een probleem met een naam en een behandelplan. Maak mij anders. Of: laat mij opnieuw beginnen, als iemand zonder tegenstrijdige emoties, zonder een lichaam dat niet van mij lijkt, zonder dat constante gevoel anders te zijn dan al die klasgenoten die het aan de buitenkant lijken wel te kunnen. Relatief veel meisjes die in transitie willen gaan hebben autisme. Aansluiting vinden bij leeftijdgenoten en omgaan met alle veranderingen in de puberteit is voor deze leerlingen bovengemiddeld moeilijk. Online en op school zie je dat genderdiverse scholieren veel steun bij elkaar vinden, wat aantrekkelijk kan zijn voor wie eenzaam is. The Dutch Protocol en keuzevrijheid Eén van de moeilijkste dingen in het genderdebat van nu is de vraag of het medische traject dat ‘the Dutch protocol’ genoemd wordt, en dat in Nederland ontworpen is om kinderen die van jongs af aan kampen met genderincongruentie te helpen, ook ingezet mag worden bij de heel andere en veel grotere groep tieners die zich nu meldt bij genderklinieken. Deze nieuwe groep verschilt zoals gezegd op een aantal punten van de eerste groep en voldoet daarmee niet aan de criteria die zijn opgesteld voor ‘the Dutch protocol’. Veel jongeren krijgen de behandeling toch, al weten we niet waardoor er ineens zoveel biologische meisjes van geslacht willen veranderen en wat de langetermijneffecten van de behandeling zijn. Wat we wel weten is dat het medische traject zeer ingrijpend is en voor een groot deel onomkeerbaar. Als een jarenlange behandeling met hormonen en eventueel chirurgische ingrepen blijkt niet tot verlichting van de klachten te leiden, noemt kinderpsychiater Annelou de Vries dat in het hierboven genoemde artikel uit de Volkskrant ‘een aanvaardbaar risico’, omdat er ook jongeren wel baat hebben bij de behandeling. Tevens benadrukt ze het recht op zelfbeschikking dat steeds belangrijker wordt. Ze wil als behandelaar ‘niet meer aan de poort staan om jongeren tegen te houden’. Van jongeren in de brugklasleeftijd wordt daarom ‘informed consent’ gevraagd: willen ze, eenmaal op de hoogte van alle risico’s, voor zover die bekend zijn, aan de behandeling beginnen? Ik denk aan de laatste ouderavond, waarin ik vertelde dat de consequenties van je keuzes voor pubers een beetje lijken op de kleine lettertjes onder een aanbod dat te mooi lijkt om waar te zijn. Met het oog op wat je heel graag en nu meteen wil is dat iets waar je graag en makkelijk overheen leest. Ze zijn nog niet klaar om het hele contract met evenveel aandacht te lezen. Ik denk ook aan mijn laatste teamvergadering, waarin we voor de honderdste keer met elkaar praatten over hoeveel keuzevrijheid een vijftienjarige aankan, wanneer je als mentor je leerlingen desnoods fouten laat maken om van te leren, en wanneer je ingrijpt. Niet iedereen zag dat hetzelfde, maar over een ding waren we het wel eens: we moesten in de brugklas beginnen met kleine stapjes. Veilig experimenteren Ik geef les op een grote streekschool in het zuiden van het land. Onvergelijkbaar met het progressieve 4 e Gymnasium in Amsterdam, dat laatst het onderwerp was van een artikel over veiligheid en genderidentiteit. Toch spelen bij ons dezelfde vragen. Wat doe je met kleedkamers, met de slaapregeling tijdens reizen, met pronouns? Wat doe je als een kind om andere pronouns vraagt, maar ouders het niet mogen weten? Of als één ouder het vraagt en de ander het verbiedt? Of als je merkt dat alles rondom het thema gender een bepaalde aantrekkingskracht heeft op kwetsbare leerlingen, waarbij niet het persoonlijke proces maar het groepsgevoel leidend lijkt te zijn? Elk kind verdient aandacht voor zijn zoektocht, maar het ontbreekt op school aan kennis en vaak simpelweg aan tijd. En zo ontstaan onwenselijke situaties, waarin scholen met de beste bedoelingen verkeerde beslissingen nemen, zoals de naam en voornaamwoorden van een kind aanpassen zonder medeweten van ouders (een voorbeeld uit het artikel). Op mijn vraag hoe hiermee om te gaan schreef de Stichting School & Veiligheid, die hierin adviseert: ‘ In het algemeen zeggen we dat wanneer leerlingen vragen om andere pronouns, dat de school hierin meegaat. Het is belangrijk dat de leerling zich gezien en gehoord voelt in de zoektocht naar identiteit. Het kan zijn dat de zoektocht naar genderidentiteit een fase is en die mag er, net zoals de zoektocht naar andere vormen van identiteit (alto/skater), gewoon zijn. Je zorgt voor veiligheid als een leerling in deze zoektocht kan experimenteren . ’ Ik vraag me af of meegaan in de pronouns een voorwaarde is voor een leerling om zich gezien en gehoord te voelen. Kan het ook gezien worden als een sociale interventie die de vrijblijvendheid van de zoektocht beperkt? Wordt de drempel om een relatie te verbreken hoger als de uitnodigingen voor de bruiloft de deur uit zijn? Ik denk het wel. Iedereen vragen je anders te noemen en daar dan op terugkomen is in mijn ogen onvergelijkbaar met van kledingstijl wisselen. Een neutrale houding heeft mijn voorkeur: luisteren, belangstelling tonen, het zoeken stimuleren, maar zonder in gedrag te sturen. Mij lijkt het goed om als school te beslissen alleen pronouns aan te passen als een leerling extern begeleid wordt in zijn genderzoektocht, zodat passende aandacht voor de individuele situatie gewaarborgd is. Lessen rondom gender Er zijn niet alleen steeds meer jongeren die zich niet thuis voelen bij hun geboortegeslacht, het aantal genderidentiteiten neemt ook toe. Met andere woorden, de ervaring van transgender personen verandert, en daarmee ook de manier waarop ze hun lichaam ervaren. We hebben nu leerlingen die aangeven non-binair, agender of genderfluïde te zijn. Genderidentiteit wordt beschreven als een hoogstpersoonlijk, diepgevoeld weten, en tegelijkertijd weten we inmiddels dat het niet per se een permanent iets is, maar ook per persoon met de tijd kan veranderen [v] . Dat geldt zeker voor wie nog volop in ontwikkeling is. Het naast elkaar gebruiken van geslacht en genderidentiteit zoals in de Gender Unicorn of de Genderkoek kan in mijn ogen de idee versterken dat er twee dingen zijn die wel of niet bij elkaar kunnen passen en de discrepantie die de basis vormt van genderincongruentie wordt daarmee verschoven van iets tussen individu en omgeving naar een intern conflict. Ik voel er dan ook weinig voor mijn leerlingen te leren hoeveel soorten genderidentiteit er zijn, zodat ze zich kunnen gaan afvragen welke het beste bij hun ervaring past. Ik zet liever in op een ruime, flexibele zelfbeleving die bijdraagt aan zelfacceptatie van binnen- en buitenkant. Wat mij betreft liever geen les over de Gender Unicorn, maar wel een over genderrollen en -verwachtingen. Je mag de baan kiezen die je leuk lijkt, de kleren aantrekken waar je je fijn in voelt en verliefd worden op wie je wil. Ik wil mijn leerlingen graag net zo lang laten zien dat er in verschillende lichamen verschillende talenten, verlangens en interesses huizen tot er niet meer in termen van een discrepantie gedacht wordt. Zodat geen enkele jongere uit angst voor sociale risico’s voor een medisch traject kiest, zoals ervaringsdeskundige Valentijn de Hingh laatst hier beschreef. Zolang de mogelijkheid bestaat dat minderjarigen een geslachtsverandering ondergaan omdat ze denken dat er geen plaats is voor hen in deze wereld, is er werk aan de winkel op school. Gendernormen kunnen veranderen als we ze vaak genoeg ter discussie stellen. Het is onze taak als onderwijsprofessionals om de toekomst mee vorm te geven door wat we onze leerlingen meegeven. Je hebt geen haast. Je mag zoeken, naar jouw manier en jouw weg. Je mag het moeilijk vinden. Je mag jezelf zijn. [i] Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (2018). Over bezorgd. Knellende verwachtingen en eenzijdige maatstaven. Den Haag: RVS. Sociaal Economische Raad (2019). Hoge verwachtingen. Kansen en belemmeringen voor jongeren in 2019. Den Haag: SER. [ii] Zie Schoemaker e.a. (2019). Mentale gezondheid van jongeren. Enkele cijfers en ervaringen. Bilthoven: RIVM/ Trimbos instituut/Amsterdam UMC; zie ook RIVM (2018). Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV). De mentale druk op jongeren lijkt toe te nemen. Bilthoven: RIVM (https://www.vtv2018.nl/druk-op-jongeren). [iii] Van Yperen, T., Van de Maat, A., & Prakken, J. (2019). Het groeiend jeugdzorggebruik: Duiding en aanpak. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. [iv] Kleinjan, M., Pieper, I., Stevens, G., Van de Klundert, N., Rombouts, M., Boer, M. & Lammers, J. (2020). Geluk onder druk? Onderzoek naar het mentaal welbevinden van jongeren in Nederland. Utrecht: Trimbos-instituut [v] Annelou de Vries in een interview voor de podcast Gender: A Wider Lens, episode 66, 1:18:52 ‘I think we used to think as gender incongruence is something permanent and persistent and therefore for always. But when we are now talking about fluidity and maybe there are parts in your life, when you're gender dysphoric and maybe that's something that changes. I mean, that's of course worrisome, since some of the medical steps aren't so easy to reverse.’